Portret van een (West-Brabants) weertype
Najaar in West-Brabant: mist
Bewolking die zich aan het aardoppervlak bevindt en het zicht beperkt tot minder dan 1000 meter wordt
mist genoemd. De bewolking is van het type stratus: de laaghangende (in het geval van mist dus zo laag
dat ze de grond raakt) grijze wolken met een egale basis. Grondmist of laaghangende mist is mist
beneden ooghoogte. Mist kan zich vormen door afkoeling van zeer vochtige lucht of door menging van
koude met warme vochtige lucht.
Er zijn diverse "soorten mist". Zo heb je grondmist, mistbanken, stralingsmist, advectieve mist, zeemist,
regenmist, bevroren mist, ijsmist, industriële mist en wellicht nog meer soorten. Hoewel je zou denken
dat mist alleen voorkomt bij weinig wind, is dat niet altijd het geval. Bijvoorbeeld als er aanvoer is van
relatief warme lucht boven een koud oppervlak. Dat kan 's winters als door een westenwind vochtige en
warme lucht van zee wordt aangevoerd die over het koude land trekt: Een situatie die zich met name in
West-Brabant voor kan doen.
Mist ontstaat bij voorkeur in de buurt van sloten of boven laaggelegen weilanden. West-Brabant kenmerkt
zich zeer door dit landschap. Dat gebeurt dan bij rustig weer in hogedrukgebieden met vochtige lucht. Plaatselijk kunnen enorme verschillen in mist ontstaan. Een beetje wind kan zorgen voor verplaatsing van
een heel mistgebied, waardoor het zicht in de richting een bepaalde omgeving opeens kan veranderen.
Weerkundigen noemen mist die komt aanwaaien advectieve mist.
Om mist te vormen zijn condensatiekernen nodig, kleine vaste of vloeibare deeltjes waaraan het water
zich kan hechten zodat druppeltjes ontstaan. Condensatie kernen zijn bijvoorbeeld zoutkristallen boven
zee of stof in de lucht. Dat stof is vaak afkomstig van industrierook of verkeer. In gebieden met vervuiling
kan zich sneller mist vormen dan in schone lucht.
De kans op mist is het grootst tussen oktober en januari, vooral na zonsondergang en met name vlak
vóór zonsopkomst. In het binnenland telt een maand in het mistseizoen 8 tot 10 mistdagen, aan zee 5
tot 7. In het voorjaar en in de zomer is het aantal mistdagen ongeveer de helft van dat in de herfst.
Bovendien lost de mist na zonsopkomst door de warmte ‘s zomers veel sneller op. In de zomer blijft de
mistduur beperkt tot hooguit een paar uur, terwijl mist in het najaar of de winter soms de hele dag blijft
hangen. ’s Avonds, wanneer het afkoelt, wordt de mist meestal dikker.
Uit onderzoek van een Frans onderzoeksinstituut voor klimaat en milieu en het KNMI blijkt dat het aantal
dagen met mist en nevel in Europa de afgelopen dertig jaar is afgenomen. Ook in Nederland is die trend
waargenomen. Het aantal dagen met een zicht tussen 2 en 5 kilometer daalde de laatste dertig jaar met
50%. De Bilt telde rond 1980 nog zo’n 70 mistdagen met een zicht minder dan een kilometer,
tegenwoordig nog maar 35. Dit komt enerzijds door de opwarming van de aarde, maar belangrijk veel
meer door de schoner wordende lucht.
Wat denkt de molenaar nu: Ach, het is mistig, ik kan vandaag niet draaien....
Wellicht heb je de beschreven weersituatie echt anders (of juist niet!) ervaren. Laat het ons weten (geef een reactie) Wellicht wil je opmerking plaatsen over dit artikel. Schroom niet!