.

Portret van een West-Brabantse molentechniek:

Najaar: Bijzonder veel kleine vliegjes in de kapzolder

 

En dan is het weer zo mooie nazomerse dag. Je bereidt de molen voor om te gaan draaien. Daar hoort bij dat je het halslager en het penlager gaat smeren. Zodra je de hanentree opgeklommen bent wordt je overvallen door werkelijk dui-zen-den kleine geelbruine vliegjes. Het hele achterkeuvelens en ook het hele voorkeuvelens, alsmede het dakbeschot in de buurt hiervan is werkelijk vergeven van deze vliegjes. Het is maar lastig om ze van je af te houden. Met veel moeite haal je de achterkeuvelensluiken en de stormluiken uit, maar ze zitten overal. Met moeite smeer je de hals en de pen. En je vlucht naar beneden, weg van de vliegjes, hoewel, ze kriebelen nog in je nek en hals.

 

Hiernaast een foto die een beeld geeft van wat we kunnen meemaken op de kapzolder. Er is even geen foto van een molendakbeschot met zoveel vliegen beschikbaar.

 

Elk najaar herhaalt zich dit weer. Wat zijn dat voor vliegjes en wat doen ze eigenlijk in de molen en waarom juist nu? We (de molenaars) spraken erover en tot nog voordat ik dit artikeltje schreef, noemde ik ze "olievliegjes". Waarom zouden ze zo heten?

 

Mijn collega had een leuke en misschien ook wel goede verklaring: De vliegjes kunnen tussen het bovenwiel en de vangblokken terecht komen tijdens het vangen. Dan worden de vliegjes fijn geperst, waarbij ze mogelijk als een olie-achtige achterblijfsel op de voering of op de vangblokken blijven zitten. Dat is natuurlijk niet gunstig voor de goede werking van de vang. Misschien heten de scharminkels daarom wel olievliegjes. Als iemand die term voor deze vliegjes gebruikt, vernemen we dat graag.

 

Ik ben eens wat gaan googlen, maar zoeken met de term "olievlieg" geeft geen bevredigende resultaten. Uiteindelijk vond ik een paar gelijkluidende verhalen (niet in molens overigens en ook niet met olievliegen). In die verhalen waren het steevast dezelfde vliegjes. De Latijnse naam voor deze vliegjes is: 'Thaumatomyia notata', op zijn Nederlands: de grasvlieg. Deze vliegjes gaan elk najaar, als het buiten wat kouder wordt, op zoek naar geschikte schuil- en slaapplaatsen. De schuilplaatsen voldoen goed als ze op voldoende hoogte zijn, het liefst door de zon worden beschenen en natuurlijk van buiten uit bereikbaar zijn. Met name kerktorens en hoge flats voldoen aan deze eisen, maar natuurlijk ook de kapzolders van onze molens.

 

Het kan bijna niet anders of we hebben te maken met grasvliegen, want een bijzondere eigenschap van deze vlieg in vergelijking met andere vliegen die ook schuilplaatsen zoeken als het kouder wordt, is dat deze vlieg niet in zijn eentje naar een schuilplaats zoekt, ook niet met kleine groepjes, maar massaal, met dui-zen-den tegelijkertijd "veroveren" ze de schuilplaats, in dit geval de kapzolder van molen.

 

De vliegen vormen geen gezondheidsgevaar: Ze brengen -voorzover bekend- geen virussen, bakteriën of ziekten over. De grasvliegen brengen normaal hun leven door in de weilanden. De zwermen van miljoenen vliegjes op zoek naar een schuilplats zijn meestal de vrouwtjesvliegjes. Ze schijnen elk jaar dezelfde schuilplaatsen te bezoeken... Waarom, dat weet men niet. De vrouwtjes leggen hun eitjes in de lente in grassen, waar de larven zich ontwikkelen. De larven eten op een roofzuchtige manier wolluizen en bladluizen. Ze poppen zich in de bodem. De levensverwachting van de grasvlieg is 4-6 maanden. De vliegen worden in het algemeen niet als plaagdier gezien, maar kunnen zeker hinderlijk zijn als ze in die grote getalen een schuilplaats zoeken.

 

 

Misschien kan de lezer hierover wat meer vertellen. Misschien kent de lezer wel korenmolens die in hun productieve tijd zeker bewoond zijn geweest. Schroom niet om te reageren.

 

Met dank aan Jack Verdaas